rutte

Teflon Mark Rutte blijft hoog in de peilingen staan

De VVD en de PvdA leven in verschillende morele stelsels. Dus moest Lodewijk Asscher wel aftreden, van zijn partij, om de toeslagenaffaire, en kon Mark Rutte gewoon door. Wat willen wij eigenlijk van hem?

Ach man. Je zal maar net een biografie van Lodewijk Asscher hebben afgerond. Vorige week maandag stuurde uitgeverij Ambo Anthos nog een persbericht rond om het verschijnen van Lodewijk: Portret van een stoïcijns optimist aan te kondigen, het weekend erop had auteur Wilfred Scholten in zijn Twitter-bio de titel al aangepast: Lodewijk: De val van een politiek talent.

Bij Dit is de dag op Radio 1 vertelde Scholten dat hij die ochtend van Lodewijk Asschers aftreden, afgelopen donderdag, al wakker was geworden met het geluid van allemaal appjes die tingelend op zijn telefoon waren binnengekomen. ‘Ik kreeg meteen al zo’n gevoel van: “O nee, toch?” Nou ja dus.’ De week ervoor had de PVDA-leider hem nog verzekerd dat hij niet zou opstappen, ‘want dan klopt jouw boektitel niet meer’.

Asscher had zichzelf in de jaren als fractievoorzitter van de PVDA als doel gesteld de partij weer relevant te maken, en leuk. Na de jaren onder Diederik Samsom, die als coalitiepartner met de VVD meeveerde, wilde Asscher meer strijd leveren, met het kabinet, met Rutte, met Wilders. In die rol als volksvertegenwoordiger groeide hij snel, hij werd geprezen om zijn debatteerstijl. Scholten vertelde dat hij regelmatig met Asscher mee ging toen die een tourtje maakte met zijn boek Opstaan in het Lloyd Hotel, waarbij Asscher steevast aan de mensen in de zaal vroeg: wie van u maakt nooit een fout? Dan ging er geen hand omhoog. ‘Zie je wel’, zei Asscher dan. ‘Ik heb ook fouten gemaakt, net als u. We zijn maar mensen.’

Dat was uiteindelijk niet heel sterk, vond Scholten, want als een politicus fouten maakt heeft dat consequenties voor heel veel mensen. Je kunt niet blijven zeggen: ‘Die fouten zijn mijn erfenis, maar daar distantieer ik me van.’

De toeslagenaffaire liet zich niet distantiëren. Aanvankelijk leek Asscher op de dag van zijn getuigenis voor de commissie die de toeslagenaffaire behandelde gered uit onverwachte hoek; door de spectaculaire zelfdestructie van Thierry Baudet, die uitgerekend op de dag van Asschers getuigenis de zuilen van zijn eigen Forum omver trok en daarmee alle media-aandacht opslurpte. Maar binnen de PVDA groeide stilletjes de onrust, leden maakten duidelijk dat ze geen vertrouwen meer in hun lijsttrekker hadden. In de peilingen kelderde de partij.

Als je net een boek over Mark Rutte hebt gemaakt zat je deze dagen toch net iets rustiger op je stoel, goddank. De VVD is de PVDA niet. Als in opspraak geraakte VVD’ers een probleem waren geweest, dan was dat wel eerder duidelijk geworden. Sterker nog: als opstappende VVD’ers grote uitzonderingen waren, dan had de site isereenvvderopgestapt.nl vast niet bestaan.

Tot het kabinet vorige week opstapte, was het 301 dagen geleden dat voor het laatst een VVD’er het veld moest ruimen, iets wat vooral aan de luwte van corona zal liggen. Daarvoor waren het:

— 19 maart 2020: minister van Medische Zorg Bruno Bruins opgestapt;
— 6 oktober 2019: Haagse burgemeester Pauline Krikke opgestapt vanwege het uit de hand gelopen vreugdevuur in Scheveningen;
— 5 oktober: VVD-raadslid Nynke Koopmans stapt uit VVD vanwege het stikstofbeleid;
— 24 september 2019: VVD zet omstreden Van Haga uit Kamerfractie;
— 29 augustus 2019: Arno Rutte verlaat Kamer;
— 21 augustus 2019: Rotterdamse wethouder Westvoorne vertrekt na fricties met fractie;
— 1 augustus 2019: regionale VVD’er Huib van Vliet (Flevoland) uit partij gezet na diefstal;
— 3 juli 2019: Zaanse ‘drankwethouder’ stapt op vanwege onrust in partij.

De lijst gaat heel veel verder. Sinds 2013 komt de partij elk jaar als ‘winnaar’ uit de bus van de ‘Politieke Integriteitsindex’ die de Volkskrant publiceert, waarbij de kwesties waarover VVD’ers struikelen variëren van minister Halbe Zijlstra die een datsja-ontmoeting met Poetin fabuleerde tot een ‘ongelijkwaardige relatie’ van Kamerlid Han ten Broeke met een medewerkster. Tussen 1980 en 2018 kende de VVD 131 van dit soort affaires, aanzienlijk meer dan de tachtig van de PVDA en de negentig van het CDA. In zijn boek over de VVDLiberale lessen, weet Elsevier-journalist Gerry van der List het eraan dat individuele uitglijders vaak laconiek werden behandeld door de partijleiding, in het bijzonder door Rutte, die bekendstaat om zijn loyaliteit, ‘wat onder meer tot uiting komt in het snel steun uitspreken aan vertrouwelingen die deze steun in sommige gevallen niet echt verdienen’.

Je zou het ook kunnen verklaren uit het feit dat de VVD een veel kleinere partij is dan bijvoorbeeld de PVDA (vorig jaar 23.907 leden om 41.078 leden), waarbij de liberale leden zich doorgaans minder direct ideologisch verbonden voelen met de partij, en zo elkaar minder streng in de leer beoordelen. Het falen van één lid straalt blijkbaar niet af op de populariteit van de partij als geheel. Je zou ook kunnen zeggen dat de VVD een partij voor ‘doeners’ is, zoals ze zelf graag zegt, niet voor denkers of debaters. En wie doet, doet wel iets fout – hakken en spaanders, dat werk. Dat levert allicht een mentaliteit op die impliceert dat echte ondernemers nu eenmaal de grenzen van de wet opzoeken, en wie daar eens overheen schiet – tsja, kan gebeuren.

In ieder geval vertelden de peilingen voor de VVD in het weekend na de val van Rutte III een ander verhaal dan voor de PVDA. De toeslagenaffaire liet zien hoe kansloos de burger is tegen een rigide overheid, die vanuit systemisch racisme of volkomen onverschilligheid kil opereert. Rutte benadrukte herhaaldelijk dat hij hiervoor zijn volledige politieke verantwoordelijkheid nam, fietste naar de koning, bood het ontslag van zijn volledige kabinet aan, en kon dit weekend zien hoe zijn partij er in de peilingen één of twee zetels bij had gekregen.

‘Kunt u nog wel verder als lijsttrekker?’ vroegen de verzamelde media op de persconferentie afgelopen vrijdag massaal aan Rutte. Die peilingen waren het antwoord op die vraag.

Waarom kleeft zo weinig aan de VVD? Waarom lijkt geen rel Rutte’s onverstoorbaarheid te breken? Die vragen kun je het best beantwoorden door terug te gaan in de tijd, toen Rutte nog niet onverstoorbaar was.

Daarvoor moet je anderhalf decennium terug gaan. Jozias van Aartsen was partijleider en had een nieuw liberaal manifest opgesteld, Om de vrijheid. Dat was, schreef de Volkskrant indertijd, alsof de VVD eindelijk de luiken open gooide, ‘een volwassen poging de balans op te maken na de opstand van de kiezers in 2002’. Van Aartsen pleitte voor democratische vernieuwing, referenda, een gekozen burgemeester. Het belastingstelsel moest op de schop, op middelbare scholen moest er meer vaderlandse geschiedenis onderwezen worden. Weg met het rechts-links-denken, meerstemmigheid was het devies.

Rutte trok continu door het land om met verongelijkte mensen bij JOVD-afdelingen te praten, ze te paaien, ‘meeveren’ met hun bezwaren

Nog een keer de Volkskrant: ‘De VVD is als het ware de salon van Jozias, waar liefhebbers van het politieke debat als vanzelf naartoe gezogen worden. Dat geldt niet alleen voor beroepspolitici als Zalm, Van Baalen, Kamp, Hirsi Ali, Rutte, Verdonk, Schulz of Dales, maar in toenemende mate ook voor denkers en publicisten als Ankersmit, Docters van Leeuwen, Cliteur, Van Middelaar, Spruyt, Boekestijn, De Winter, Philipse, Ellian of Rosenthal.’

Dit was 2005, net na Fortuyn en Van Gogh. Het voelt als langer geleden, al was het maar omdat zoveel van die genoemde denkers en publicisten inmiddels zo ver bij de VVD vandaan zijn gedreven, naar het buitenland toe, hun pensioen in, en vooral naar het reactionair rechtse toe.

Van Aartsen had wel een kiezersmandaat nodig, vond en stelde hij: ik moet minstens veertien procent houden bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2006. Het werd 13,8 procent. Diezelfde avond maakte Van Aartsen aan een klein clubje getrouwen bekend dat hij stopte – onder die getrouwen de jonge staatssecretaris Mark Rutte, de enige VVD’er die de volgende dag al hardop durfde te zeggen dat hij Van Aartsens leiderschap wilde overnemen.

NRC-journaliste Petra de Koning beschrijft in haar recente Rutte-biografie hoe het premierschap altijd al zijn droom was geweest – met vrienden op de middelbare school deed hij altijd al politieke interviews na, waarbij Rutte steevast de premier speelde. Nog voordat hij lid van de JOVD werd – en dus als aspirant-politicus gezien kon worden – schreef Rutte’s boezemvriend een zelf geprint boekje, Het Tsjernenko Complot, waarin de hoofdpersoon Rutte voorman was van de Reactionaire Partij Nederland en voor het leven benoemd premier was.

(Voor het leven benoemd; dat begint al bijna als profetisch aan te voelen. Al is deze ‘premier Rutte’ in Het Tsjernenko Complot gescheiden van Miss Panama.)

Aanvankelijk leek Rutte de enige kandidaat voor het partijleiderschap, maar in de coulissen van de VVD-kantoren begonnen andere krachten een andere kandidaat naar voren te schuiven. Eerst zei ze dat ze geen zin had, maar ze liet zich vleien en gooide haar hoed in de ring: Rita Verdonk. ‘Niet links, niets rechts, maar recht door zee’ (maar vooral toch heel rechts.)

Net als Rutte was Verdonk door Gerrit Zalm naar Den Haag gehaald – ze was geen partijcoryfee, maar Zalm was naarstig op zoek naar vrouwen voor in het kabinet. ‘Kordaat, tevens warm’, noteerde hij na afloop van zijn gesprek met haar, waarmee hij op de laatste plaats binnen kwam op het Nederlands Kampioenschap Mensenkennis.

Zalm blikte er later op terug en zei tegen Volkskrant-columniste Sheila Sitalsing in haar Rutte-biografie, Mark (2016), dat er bij de VVD nooit een ideologische strijdt woedt, zoals bij de PVDA, maar dat het om de personen gaat. Ze moeten elkaar liggen, anders is het moord en doodslag: ‘Bij de VVD heb je twee soorten baden: warme baden of bloedbaden.’

In het geval van Rutte versus Verdonk werd het het laatste, een moddergooicampagne die zeven weken lang het nieuws domineerde. Verdonk speelde het spel in de media, met handschoenen uit: ‘Wat mij onderscheidt van Mark Rutte is daadkracht en duidelijkheid.’ Rutte speelde het meer uit het zicht: in 1988 was hij voorzitter van de JOVD geworden, ruim voor de komst van de mobiele telefoon, wat betekende dat hij continu door het land trok om met verongelijkte mensen bij JOVD-afdelingen te praten – en ze te paaien, gerust te stellen, ‘meeveren’ met hun bezwaren en zo ‘de knopen weg masseren’. Dat netwerk dat hij toen opbouwde had hij onderhouden, en in de strijd tegen Verdonk kwam het over de brug. Met 51 procent tegen 46 procent kwam hij, live vanuit het Okura, tot ook zijn eigen verrassing als winnaar uit de bus.

Sitalsing merkte terecht op dat de strijd wel degelijk om de koers draaide, namelijk of de VVD in de nasleep van de Fortuyn-revolte een kalme, breed georiënteerde bestuurderspartij bleef (Rutte), of ‘een niet-gouvernementele volkspartij die avonturiers op rechts de pas afsneed’ (Verdonk). Vandaar dat Verdonk haar volgers bleef hebben, vandaar dat ze zich met 67.355 meer voorkeurstemmen dan Rutte bij de verkiezingen van 2006 gesterkt voelde om zijn positie te ondermijnen. Ze vond hem te slap, te links, hij kon niet tegen Wilders op in het integratiedebat. Pas na een jaar van interne kritiek extern geuit zette Rutte Verdonk uit de fractie, in september 2007. Een paar dagen later was er een VVD-congres in Veldhoven, waar de leden zich over zijn leiderschap konden buigen. Het Parool voelde de bui hangen: ‘Het einde van een politicus zonder mening.’ De Telegraaf: ‘Vaarwel, Mark.’

Over Rutte’s onverstoorbaarheid gesproken: op de dag van Veldhoven zei hij tegen zijn naaste medewerker: ‘Dit wordt onze laatste dag.’ Hij zei het niet rancuneus, of boos. ‘Wij hebben samen een ongelooflijk boeiende en mooie tijd gehad. Laten we daar tot het laatste moment van genieten.’

Maar niet dus. Rutte speechte, kreeg de zaal in Veldhoven achter zich. Sitalsing: ‘Zijn politieke ontmaagding.’ Ze citeert campagnestrateeg Jan Driessen: ‘Rita is Marks redding geweest. Niets kan hem meer deren. Wie zo frustratie heeft moeten wegslikken, kan alles hebben. Die gaat nooit meer neer.’

Elsevier-redacteur Gerry van der List citeert in Liberale lessen diezelfde Jan Driessen, over hetzelfde moment, maar bij hem zegt Driessen diametraal het tegenovergestelde: Rutte was na Rita onzeker en afwachtend geworden. ‘Bij lezingen vroeg hij zenuwachtig om de uitgeschreven tekst omdat hij houvast nodig had. Het was maar de vraag of hij weer de charmante, positieve en vooral strijdvaardige Mark van vroeger kon worden. Hij was duidelijk zoekende.’

Dat zoekende merkte je aan alles. Hij kwam met plannen voor een ‘groen rechts’, probeerde zich te profileren als denker, door in Elsevier te schrijven over Friedrich von Hayek, en in Opinio over zijn bewondering voor Isaiah Berlins twee vormen van vrijheid. In een poging zichzelf als kampioen van het vrije woord te manifesteren pleitte hij ervoor artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht te wijzigen, dat belediging en het aanzetten tot haat en discriminatie verbiedt. Dat dat ook betekende dat holocaustontkenning dan niet langer strafbaar was, accepteerde hij. De rest van de VVD vroeg zich af waar hij mee bezig was. De peilingen bleven waardeloos, meerdere keren hing zijn leiderschap aan een zijden draadje.

Dit waren de jaren dat alles aan Rutte anders moest. Zijn bril, zijn kapsel, de studentikoze overhemden die hij droeg, zijn vroegoude gewoonte sigaren te roken. Dit was ook de tijd dat zijn privé-leven nog een vraagteken was, want hoewel er zo’n drie miljoen alleenstaanden in Nederland waren, snapte niemand er iets van dat Rutte notoir vrijgezel was. Roddelbladen doken er bovenop, tegen Privé zei hij dat zijn type ‘sterke en mooie carrièrevrouwen’ waren, zoals Daphne Deckers, Sophie Hilbrand en Sacha de Boer. Drie van tevoren bedachte namen. Rutte probeerde er doorheen te lachen, maar zat er doodongelukkig bij.

Je zou kunnen zeggen dat Rutte die jaren nog in de VVD zat zoals Van Aartsen die had bedacht: een partij als salon, waar liberalen van allerlei overtuigingen bij elkaar kwamen en met elkaar van ideeën konden wisselen over hoe de Nederlandse maatschappij gevormd kon worden. Dit gold niet alleen voor de VVD natuurlijk, dit was het hele publieke debat in Nederland van die tijd, dat zich bovenal centreerde rond de vraag hoe de breuklijnen in de maatschappij gedicht konden worden die met de Fortuyn-revolte aan het licht waren gekomen. Rutte wist er zichtbaar geen raad mee. Een open microfoon pikte op hoe toenmalig VVD-Kamerlid Arend-Jan Boekestijn tegen Maarten van Rossem zei: ‘Hij heeft geen ideeën. Schokkend, hoor!’

Wat Rutte redde was de kredietcrisis die vanaf begin 2009 echt opvlamde. Opeens hoefde Rutte het niet meer over de vrijheid van meningsuiting te hebben, over het intellectuele liberale gedachtegoed. Rutte kon pas Rutte worden toen de crisis hem ontsloeg van het hebben van ideeën: it’s the economy, stupid. Hij hoefde alleen nog maar oppositie te voeren tegen het haperende economische beleid van Balkenende IV. Grote maatschappelijke ideeën waren niet nodig, alleen geld en banen – en in de aanloop naar de verkiezingen van 2010 werd de VVD-campagne gevoed door economen die wisten hoe de rekenmodellen werkten van het Centraal Planbureau – dat alle verkiezingsprogramma’s doorrekende – waardoor de VVD het best uit de test kwam. De VVD scoorde met slogans als: ‘De economie kan wel wat meer VVD gebruiken.’

Verdonk was vergeten, en op een bepaalde manier Rutte ook. Als particuliere lijsttrekker was hij nog steeds niet heel populair bij de kiezer (lijsttrekkers als Halsema en Pechtold werden bijvoorbeeld veel hoger gewaardeerd), maar de VVD bleef desondanks groeien in de peilingen. In de versplintering van het politieke landschap bedacht Rutte dat de VVD nog weleens ‘de kleinste grootste partij kon worden’ – wat op zichzelf de kleinste grootste ambitie is.

Waarin Rutte’s onkwetsbaarheid schuilt? Hij belichaamt geen ideaal en is dus ook nooit het gezicht van een oplossing die tekortschiet

Die voorspelling klopte. Op 9 juni 2010 haalde de VVD 31 zetels, eentje meer dan de PVDA. Verdonks Trots op Nederland haalde de Kamer niet.

Een sprong naar 2020. Bij het tienjarig jubileum als premier werden in alle profielen, analyses en commentaren over Mark Rutte drie meningen steeds van stal gehaald.

  1. Wat vreemd toch dat iemand die zo weinig ideologisch behept was al zo lang premier is.
  2. Wat een fijne crisismanager is hij toch.
  3. Wat is hij toch lekker alledaags.

Dat laatste werd perfect geboekstaafd in de biografie die NRC-journaliste Petra de Koning schreef. Haar vlotte schets toont de Mark Rutte die niet om uiterlijk vertoon geeft, die nog steeds in een oude Saab rijdt, die behoorlijk onder zijn salarisschaal half studentikoos op een etage woont, nooit zelf kookt, die tijdens een gesprek met Apple-CEO Tim Cook zijn vooroorlogse Nokia-telefoon tevoorschijn trekt. Mark Rutte het gewoontedier, die niet alleen weken vooruit plant, maar hele jaren. Waarvan partijprominenten weten: Mark komt langs dus dan moet mijn vrouw een pruimentaart bakken, en geen andere taart. Want Mark is gewend aan een pruimentaart.

‘Een aardige en inderdaad helemaal niet zo bijzondere man’, concludeerde de Volkskrant-recensent. Maar je zou toch moeten zeggen dat Rutte’s alledaagsheid een fascinerende, gewapende, monomane alledaagsheid is – waar je eigenlijk uit kunt concluderen dat ze niet alledaags is. Dat is de unieke paradox: alle eigenschappen en voorkeuren van Rutte zijn je bekend en vertrouwd, en toch ken je niemand zoals hij.

Dat tweede punt, van die crisismanager, werd bij zijn tienjarig jubileum al ongeveer wekelijks beschreven, in alle analyses van het coronabeleid. In tijden van crises was zijn controledwang buitengewoon effectief, waardoor iedereen wist waaraan ze toe waren. Ministers van alle partijen spraken hun bewondering uit. Al in zijn jongere jaren als voorzitter van de JOVD had hij leren meeveren, gladstrijken, vrede stichten, eindeloos netwerken. Hij had geleerd nooit deadlines te stellen als ze niet nodig zijn, om nooit commentaar persoonlijk te nemen, om problemen altijd in eufemismen te verpakken, waardoor het leek of ze helemaal geen problemen waren. Of op z’n minst menselijke problemen, geen politieke.

Dat derde punt dat in elk profiel genoemd moet worden, dat Rutte zo onwaarschijnlijk niet-ideologisch is, heeft een langere aanloop. De socioloog en politicoloog Merijn Oudenampsen beschrijft het in zijn De conservatieve revolte, een van de meest manmoedige pogingen de politieke ideologische omwentelingen van de laatste twintig jaar te analyseren.

Manmoedig, omdat het iets tegen-de-klippen-op heeft. Zoals Oudenampsen zelf al schrijft is een kenmerkend aspect van de Nederlandse politiek dat die graag ver bij intellectuelen en ideologen uit de buurt blijft. Drie voorbeelden: waar Thatcher en Reagan het neoliberale vrijemarktdenken in de jaren tachtig in gloedvolle speeches vol oneliners aan de man brachten, ontmantelde Ruud Lubbers in zijn drie kabinetten de ‘quasi-publieke goederen’ (sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs) onder de depolitiserende slogan van het ‘no-nonsense-beleid’. Waar Clinton en Blair in de jaren negentig de sociaal-democratische omarming van de vrije markt vierden als de geboorte van een nieuwe ideologie riep Wim Kok meteen op ‘niet te uitbundig met het Derde Weg-etiket te wapperen’. Het zou niet ideologisch bedoeld zijn, louter pragmatisch. En in het decennium erop werd tijdens de conservatieve wending van het immigratiedebat de onverenigbaarheid van de islam en het Westen door rechts gepresenteerd als vanzelfsprekend ‘realisme’.

Oudenampsen schrijft: ‘Wat telkens op het spel lijkt te staan in het Nederlandse debat is het geaccepteerd krijgen van de ideeën bij andere partijen als deel van de consensus. Je presenteert je ideeën daarom niet als een conservatief of socialistisch of neoliberaal programma, maar als zakelijkheid, realisme en pragmatisme. Zelfs de partijen op de linker- en rechterflank presenteren zich als realisten en pragmatici; het zijn hun tegenstanders die een droombeeld najagen. (…) Ideologie, c’est les autres.’

Ook Van der List schrijft over de buitengewoon niet-ideologische kant van de VVD. Wetenschappers hebben de neiging zich te concentreren op verkiezings- en beginselprogramma’s of op publicaties van de Teldersstichting, het wetenschappelijke bureau van de VVD, en ontwaren zo meer samenhang en consistentie in de koers van de partij dan er daadwerkelijk is. Partijpublicaties worden meer geschreven dan gelezen. Al in 1961 stelde het Liberaal reveil dat het ‘een onloochenbaar feit is dat discussies in liberale kring slechts door hun afwezigheid de aandacht trekken’.

In de lange geschiedenis wijst Van der List erop dat de liberalen van oudsher een dominante positie in de maatschappij hadden, anders dan bijvoorbeeld de katholieken en socialisten, en zo dus geen emancipatiebeweging hoefden te zijn waarin hun identiteit moest worden verwoord. VVD-congressen zijn omgevormd tot VVD-festivals, waarbij debatten tussen leden niet van hogerhand worden aangemoedigd. De VVD is veranderd van deftige meneren van de Torenlaan in Blaricum en de Konijnenlaan in Wassenaar naar vlotte ondernemers uit de provincie, constateerde Mark Rutte zelf, in een podcast met zijn goede vriend Jort Kelder, eind 2019. Of zoals Kelder over de VVD-festivals opmerkte: ‘Je heurt er tegenwoordig wel héél veel Brabants.’

In zekere zin wil Oudenampsen betogen dat die ideeënloosheid een misvatting is. De grootste truc van de duivel was de wereld ervan te overtuigen dat hij niet bestaat – Oudenampsen wil juist laten zien welke internationale ideeën via Nederlandse politici en denkers bijna stilzwijgend worden doorgegeven de politiek in, vooral via figuren als Cliteur en Hirsi Ali en vooral Bolkestein. Een heel interessante denkoefening, maar eentje waarvoor Rutte een onmogelijke figuur is: in De conservatieve revolte wordt hij maar vijf keer genoemd, meestal in het voorbijgaan.

Rutte spreekt graag over ‘repertoire’: zinnen die hij te pas en te onpas gebruikt. Een zo’n zin is ‘De VVD is een middel en geen doel.’

Het talent van Mark Rutte is dat het hem gelukt is al die tijd zelden of nooit te formuleren wat dan wél het doel is. Ja, in verkiezingsprogramma’s wordt steevast gesproken over een ‘weerbare maatschappij’, waar mensen niet ‘betutteld’ worden door de overheid. Maar dat is vage taal waar niemand het mee oneens kan zijn.

Dat talent heeft ook iets cynisch, omdat het de weg vrij maakt voor een politiek-vrije politiek. Dat politiek-vrije is zichtbaar in het feit dat hij deze tien jaar moeiteloos, vaak vrolijk lachend heeft geregeerd met het bonte gezelschap van het CDA, de PVVPVDAD66 en de ChristenUnie. Vaak wordt dat als een uniek pluspunt gezien: zijn vermogen met iedereen te onderhandelen en elke plooi te kunnen gladstrijken. Maar wat het cynisch maakt is beter te zien als je hem met Lodewijk Asscher vergelijkt; een PVDA-lijsttrekker hoort op te komen voor mensen die het economisch zwaar hebben, en vanuit achterstandsposities de maatschappij in willen treden. Hij staat zodoende voor een sociaal-democratisch ideaal, en dus zijn er voor hem consequenties als hij dat ideaal tekortdoet.

In de politiek is een ideaal in feite een ander woord voor een probleem. Of tenminste: een ideaal betekent dat je het gevoel hebt op aarde te zijn om een bepaald probleem op te lossen, of een misstand te verhelpen. Hierin schuilt de onkwetsbaarheid van Rutte: hij belichaamt geen ideaal, geen concreet idee, en is zodoende ook nooit het gezicht van een oplossing die tekortschiet, of een misstand die niet verholpen wordt, of een uitgesproken maatschappelijk idee waarmee je het oneens bent. Het enige wat Rutte na elf jaar premierschap belichaamt is, nota bene, het hele politieke systeem an sich – maar dat is er eentje waarin alle genoemde partijen meedoen.

Nog meer repertoire: ‘Ik heb geen talent voor het sombere.’ Je zou ook kunnen zeggen dat iedere politicus iets sombers hoort te hebben, want iedere politicus die uit idealen handelt, wordt gedreven door een probleem dat nog niet opgelost is. Natuurlijk is de toeslagenaffaire pijnlijker voor Asscher dan voor Rutte, want de VVD is nu eenmaal nooit de partij voor bijstandsmoeders geweest.

Bij zijn jubileum als premier werd in analyses en profielen vooral de vraag gesteld: ‘Wat wil Mark Rutte nu eigenlijk?’ Waar is het hem om te doen? Na tien jaar in het Torentje was dat nog steeds niet duidelijk. Oké, hij heeft als langste vastgehouden aan het afschaffen van de dividendbelasting. En hij lijkt het verbod op circusdieren in z’n eentje doorgedrukt te hebben in het regeerakkoord van zijn tweede kabinet. Bonzo doet de groetjes. Maar dat was het wel zo’n beetje, meer dan dat lijkt hij niet te willen.

Misschien is het dan tijd om die vraag eens andersom te stellen: wat willen wij eigenlijk van hém?

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.