erdogan

De Turkse president haalt uit naar Amerika als ‘schuldige’ van de crisis.

Nooit eerder had de Turkse president Recep Tayyip Erdoğan zo een nederlaag moeten incasseren als vorige vrijdag, toen de Turkse lira 21 % van haar waarde verloor. De grote leider van Turkije heeft sinds 2002, toen zijn AKP-partij de absolute meerderheid behaalde bij de nationale verkiezingen, vele triomfen gevierd, maar ook aardig wat tegenstand moeten overwinnen. Dat lukte hem telkens weer omdat politieke gevaren of dreigingen mits de sluwe of genadeloze inzet van politieke machtsmiddelen bedwongen kunnen worden. Deze keer ziet Erdoğan zich geconfronteerd met de gevaarlijkste van alle maar denkbare tegenstanders: de markt.

Onverbiddelijk

Door de stijgende inflatie en het drastische verval van de Turkse munt glijdt de bodem onder Erdoğans voeten weg. De markt is onverbiddelijk, zeker voor degene die niet wil luisteren naar de wetten van de economie. De Centrale Bank zou de rente moeten verhogen om de inflatie tegen te gaan, maar daar wil Erdoğan absoluut niet van weten. Het duurder worden van kredieten zou volgens hem de groei afremmen, maar net de oververhitting van de economie en het overwicht van de import op de export werpen de donkerste schaduwen op dat economische model.

Ook politieke factoren hebben de economische crisis in de hand gewerkt. Het brutale neerslaan van de Gezi-opstand van de naar vrijheid snakkende jeugd in juni 2013, het afbreken van het prille vredesproces met de Koerdische nationalisten in juli 2015, de heksenjacht op iedereen die ook maar iets te maken zou kunnen hebben met de prediker Fethullah Gülen als vermeende opdrachtgever van de mislukte putsch van 15 juli 2016, en de installatie van een autoritair presidentieel systeem in juni van dit jaar, dat alles maakt dat buitenlandse ondernemers en investeerders hun vertrouwen in een Turkse rechtsstaat waren beginnen verliezen.

‘Godsgeschenk’

De crisis is dus van eigen makelij, maar toch stelt Erdoğan het zo voor dat het allemaal de schuld van het buitenland is. De ruzie met de Amerikaanse president Donald Trump heeft het hem daarbij gemakkelijk gemaakt. Washington dringt aan op de vrijlating van Andrew Brunson, een in Turkije levende Amerikaanse dominee die door het Turkse gerecht van ‘terrorisme’ wordt beschuldigd. De man behoort tot dezelfde kerkgemeenschap als de Amerikaanse vicepresident Mike Pence. Met tussenverkiezingen in november voor de deur willen de Republikeinen geen duimbreed toegeven tegenover Turkije.

De twitterpresident goot afgelopen vrijdag gretig nog wat meer olie op het vuur door een verdubbeling van de importheffingen op Turks staal en aluminium aan te kondigen. Daardoor kreeg de Turkse lira nog meer klappen. Voor Erdoğan was dat echter – na de mislukte putsch van twee jaar geleden – weer een ‘Godsgeschenk’. Weer kan hij gewagen van een door buitenlandse machten aangestuurde samenzwering, ditmaal van een aanval door de ‘Amerikaans-zionistische rentelobby’ op Turkije. Weer kan hij het merendeel van de Turken achter zich scharen.

Hoogverraad

De retoriek van ‘we zijn in oorlog’ past goed in dat plaatje. Wat er achter zijn woorden schuilgaat, verstaat elke Turk die zijn geschiedenis kent. Turkije is haast honderd jaar geleden geboren uit wat de Turken de Bevrijdingsoorlog tegen de Griekse invasietroepen en hun imperialistische beschermheren noemden.

Erdoğan staat als het ware op als een nieuwe Atatürk die in naam van Allah de eenheid van het land bezweert. Wie niet mee wil gaan in dat verhaal, maakt zich schuldig aan hoogverraad, het ergste waarvan je een Turk als gloeiende nationalist kan beschuldigen. Terwijl de media die onder controle staan van Erdogan, ferm uithalen naar die ‘wilde hond’, die ‘seniele trol’ van een Trump, verkondigen ze tegelijk dat het goed gaat met de economie en dat Turkije deze ‘dolkstoot’ in de rug door de buitenlandse vijand wel zal overleven. Niemand mag versagen. Het is niet alleen de regering die de plicht heeft om de natie te helpen overleven, maar ook de klasse van industriëlen en handelaars. Maar doordat de ondernemingen steeds meer lira zullen moeten ophoesten om hun deviezenschulden af te lossen, dreigen er massale ontslagen. Voor Erdoğan zou dat een ‘fout’ zijn, wat aantoont dat de rede hem heeft verlaten.

Verzet 

In nationale crisistijden schaart de oppositie zich normaal gezien achter de president. Deze keer zegt Kemal Kiliçdaroğlu, de voorzitter van de CHP, de seculiere oppositiepartij, dat dit ook een ‘politieke crisis’ is. Pas op het moment dat de gewone Turken de mooie woorden van de president niet meer willen geloven, zal de politiek-economische crisis daadwerkelijk uitmonden in verzet.

(Dit artikel is ook verschenen op www.demorgen.be)

Reacties

Reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.