DELEN
stemmen

Vandaag 12 december, is het honderd jaar geleden dat het algemeen kiesrecht in Nederland werd ingevoerd. Dat wil zeggen: voor mannen. Vrouwen moesten toen nog twee jaar wachten voor ze stemrecht kregen.

Tegelijk met het algemeen kiesrecht vond er een andere belangrijke verandering plaats: de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging, waarbij het aantal behaalde stemmen bepaalt hoeveel zetels een partij krijgt. Vóór die tijd kende Nederland een districtenstelsel. Het land werd verdeeld in 100 kiesdistricten, die elk een afgevaardigde voor de (destijds 100 leden tellende) Tweede Kamer kozen. Een vergelijkbaar systeem bestaat nog steeds in onder meer Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten.

Een districtenstelsel heeft onmiskenbare voordelen. Het zorgt voor een vanzelfsprekende band tussen kiezer en gekozene. Beiden komen immers uit dezelfde regio, waardoor het Kamerlid meer oog zal hebben voor de plaatselijke belangen. En nog essentiëler: de uitslag van de verkiezingen biedt meteen duidelijkheid. Per district wordt er immers maar één kandidaat gekozen, de rest valt af. Dat brengt met zich mee dat vrijwel alleen de grote partijen kans maken op zetels. De politicologenwebsite  Stuk Rood Vlees heeft wel eens becijferd wat het effect zou zijn als Nederland het Britse verkiezingssysteem zou hebben. De VVD zou dan van de 150 kiesdistricten (uitgaande van 150 Kamerzetels) er 109 binnen hebben gesleept bij de laatste verkiezingen. De kabinetsformatie had met een dergelijke uitslag achterwege kunnen blijven, omdat de liberalen in hun eentje over een overweldigende Kamermeerderheid zouden hebben beschikt.

Maar een districtenstelsel kent ook een wezenlijk nadeel. Veel stemmen worden in dit systeem voor niets uitgebracht, want de verliezers spelen geen rol. ‘Winner takes all’ en de rest heeft pech gehad. Zouden we hier op 15 maart het Britse stelsel hebben gehanteerd, dan was de SP nu de kleinste partij in de Kamer met 1 zetel. Ook PVV, CDA en D66 zouden winnaar VVD op enorme afstand volgen. PvdA, ChristenUnie, Partij voor de Dieren en de nog kleinere partijen waren met het Britse systeem niet meer in de Kamer vertegenwoordigd.

Tegen het districtenstelsel bestaat bovendien een ander bezwaar. De band tussen kiezer en verkozene kan er erg nauw door worden, waardoor afgevaardigden zich kunnen laten verleiden tot het verlenen van gunsten aan hun kiezers. Cliëntalisme en corruptie liggen dan op de loer. In Frankrijk kunnen ze erover meepraten.

Er is dan ook vrijwel niemand die bepleit om in Nederland het districtenstelsel weer in te voeren. D66 heeft er in het verleden wel eens een lans voor gebroken, maar tegenwoordig hoor je die partij er nooit meer over.

Wel bestaat er hier en daar (vooral bij VVD en CDA) sympathie voor het introduceren van een kiesdrempel. Alleen partijen die een wat ruimer percentage van de stemmen verwerven, komen dan in de Kamer. Op dit moment is het behalen van 1 Kamerzetel (de kiesdeler) voldoende, maar je zou die drempel kunnen verhogen naar bijvoorbeeld 5 procent van de stemmen, ofwel 8 Kamerzetels. Het aantal partijen zou dan verminderen, waardoor de politieke versplintering kleiner wordt en kabinetsformaties vlotter verlopen.

De recente ervaringen in Duitsland – waar een kiesdrempel van 5 procent al bestaat – leren echter dat zo’n instrument geen wondermiddel is. Want ondanks het beperkte aantal partijen in de Bondsdag gaat de totstandkoming van een nieuwe regering daar allerminst van een leien dakje. Al kun je je natuurlijk ook afvragen hoe lang de formatie in Duitsland zou duren als daar niet zes, maar dertien partijen in het parlement gezeten hadden.

Reacties

Reacties

SDB en nieuwsreporter.com brengt u nationaal en internationaal nieuws

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.