politiek

Op het Binnenhof wordt het wiel weer eens uitgevonden. De staat, overheid, moet meer macht krijgen. Het schijnt het grote thema te zijn van alle verkiezingsprogramma’s, van dat van het CDA tot, uiteraard, de SP. Zelfs de VVD schijnt bekeerd te zijn. De kampioenen van het (neo)liberalisme zien nu ook heil in een ‘sterkere staat’.

Dat suggereert dat de staat jarenlang in een hoekje heeft zitten wegkwijnen. Dat het op een straffe vermageringskuur is gezet door de onvermurwbare neoliberale tuchtmeesters. Met als gevolg dat die uitgemergelde staat haar werk niet meer naar behoren kan doen.

Dat is een verhaal dat de afgelopen jaren steeds nadrukkelijker wordt verkondigd. Het heeft met name betrekking op de VS en het VK, de broedplaatsen van de anti-overheidsideologie. Daar werd de staat inderdaad een prooi van het neoliberalisme en zijn pleitbezorgers in de politiek. Met de toenmalige leiders, president Ronald Reagan en minister-president Margaret Thatcher, als voorzangers in dat anti-overheidskoor.

De staat zou volgens de neoliberale geloofsartikelen elk initiatief smoren in een bureaucratie die alle fut uit de samenleving perst. De burger en de ondernemer zuchtten onder het juk van naamloze functionarissen die maar een doel hadden: hun het leven zo zuur mogelijk te maken.

Dat is een karikatuur die de werkelijkheid in de VS en het VK van zeker toen redelijk adequaat beschrijft. Beide landen verkeerden in een diepe economische en sociale crisis en een uitweg was niet in zicht.

Sinds de Tweede Wereldoorlog hadden de adepten van de grote Engelse econoom John Maynard Keynes de politiek en de economie beheerst. De overheid had de sleutelrol in het economische en politieke leven opgeëist.

Maar in de jaren 70 van de vorige eeuw bleken de recepten van de Keynesianen niet langer te werken. Ze hadden geen antwoord op de recessie die ontketend was door de oliecrises van die jaren. Een toen nog onbekend fenomeen stak de kop op: stagflatie, een door geen econoom voorziene combinatie van snel groeiende inflatie en toenemende werkloosheid.

De neoliberalen wierpen zich op als de verlossers die de weg uit de malaise wisten. De overheid moest door deregulering en privatisering ‘terugtreden’. De ondernemer moest weer als verschaffer van werk en welvaart in ere worden hersteld. De burger werd aangemoedigd zijn lot weer in eigen hand te nemen.

Bij ons in de polder ging het eerste kabinet-Lubbers, van CDA en VVD (1982-’86), onder de nieuwe vlag aan de slag, met de meer (werkgevers) en minder (vakbeweging) enthousiaste medewerking van de sociale partners. En met redelijk succes. De oliecrises hadden ook hier stevig huisgehouden en mede dankzij het neoliberaal getinte beleid krabbelde het land weer op.

Een schijnbaar magische formule kan je niet altijd en overal toepassen, hoe verleidelijk dat vaak ook is. De neoliberale voorschriften werden van toepassing verklaard ook voor de overheid. De overheid moest zichzelf opnieuw uitvinden als een primair dienstverlenend bedrijf, met de markt en de bijbehorende managementtheorieën als richtsnoer.

Wat daarbij vergeten werd is dat de overheid geen echte ‘marktspeler’ is. Alleen al omdat de politiek zich er permanent mee bemoeit en ook moet bemoeien. De staat leek zich terug te trekken maar bleef een moloch die een fors beslag op de economie bleef leggen. In zijn extreme, Angelsaksische gedaante kreeg het neoliberalisme hier nooit een poot aan de grond. Dat kan niet in een land waar over elk vraagstuk van enig belang gepolderd wordt tot het soms zelfs de deelnemers groen en geel voor de ogen wordt.

De lakmoesproef is de omgang met de verzorgingsstaat. Voor een rechtgeaarde neoliberaal is dat een uitwas van het Keynesianisme waar het mes niet diep genoeg in gezet kan worden. In de VS en het VK deden ze dat met groot enthousiasme. Bij ons in de polder haalt geen elke partij, ook de VVD niet, het zich in haar hoofd de verzorgingsstaat radicaal uit te kleden. Ze kijken wel uit. Dat is electoraal niet te verkopen. Het gaat bij hervormingen meestal om niet al te ingrijpende bijstellingen, en dan steevast onder het mom om haar ‘toekomstbestendig’ te maken.

Dat sluit een heroriëntering in het denken over de rol van de overheid uiteraard niet uit. Dat is al begonnen na de Grote Recessie van 12 jaar geleden, kreeg een stevige impuls door de opkomst van het populisme en is door corona in een stroomversnelling geraakt. In de praktijk betekent dat vermoedelijk een verschuiving op beleidsterreinen als de zorg, volkshuisvesting, betere bescherming van zzp-ers, herwaardering van ‘cruciale’ beroepen en, hopelijk, het afscheid van het managementfetisjisme waarvan vooral ‘consultancies’ hebben geprofiteerd.

Het gaat waar nodig om het herstel van goed bestuur. De overheid moet weer ‘betrouwbaar’ worden en de burger niet als een lastpost of erger beschouwen. Een belastingdienst die de burger op voorhand als een delinquent behandelt, zoals in de toeslagenaffaire, verspeelt niet alleen haar eigen krediet maar op den duur ook dat van de hele overheid.

Bij goed bestuur hoort de uitvoerbaarheid van beleid. Wat ze op het Binnenhof en de ministeries bekokstoven moet wel door de (semi-)overheidsorganen uitgevoerd kunnen worden. Ook hier is het schandaal rond de toeslagen instructief. De belastingdienst werd opgezadeld met een klus waarvoor ze niet is toegerust. ‘De politiek’ was daarvoor gewaarschuwd maar vond de signalen kennelijk niet serieus genoeg om op te pikken.

De roep om een ‘sterkere staat’ is in feite een pleidooi voor een beter functionerende overheid. Dat is niet alleen een kwestie van woordkeus. Het vergt van de politiek waarmee ze in haar dadendrang grote moeite heeft: terughoudendheid. De overheid moet niet overbelast worden met taken die ze in alle redelijkheid niet kan uitvoeren en waardoor haar kerntaken in het gedrang komen. Een sterkere, grotere, machtiger staat is niet automatisch een betere.

Reacties

Reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.