DELEN
pensioenleeftijd

Als we veel politici en werkgevers moeten geloven dan worden de pensioenen onbetaalbaar, zeker als men het huidige pensioenniveau wil bewaren en de pensioengerechtigde leeftijd op 65 jaar gehandhaafd blijft. Maar is dat wel zo?

Hoe kan het dat sinds eind jaren 19e eeuw steeds méér mensen op de arbeidsmarkt méér hebben betaald voor méér gepensioneerden, en de levensstandaard alleen maar beter geworden is?

Het werkgeversvriendelijke Instituut van de Duitse Economie (IW) in Keulen heeft onlangs een alarmerend media-bericht verspreid. Als men het pensioenniveau wil handhaven en tegelijkertijd de pensioenbijdrage niet wil laten stijgen, moet de pensioenleeftijd worden verhoogd – en wel naar 73 jaar, te bereiken in het jaar 2041.

IW Köln verzuimt echter te vermelden dat in 2041 de productiviteit veel hoger zal zijn dan vandaag. Deze productiviteitswinst maakt het mogelijk om het pensioenniveau te handhaven zonder de pensioenleeftijd te verhogen.

De demografische verandering “moet” steeds maar weer bekeken worden om de zogenaamde niet-financierbaarheid van de levensstandaard van een menswaardige pensioengerechtigde leeftijd te bewijzen. In de publicatie “Hoe lang werken voor een stabiel renteniveau” schrijft het IW Köln [1] aan het eind van mei 2016 het volgende:

Een stabiel niveau van de pensioenen bij een constante pensioengerechtigde leeftijd kan alleen worden bereikt als die ten koste gaat van de toekomstige beroepsbevolking. Pensionering op 67-jarige leeftijd, een stabiel pensioenniveau en beiden bij gelijkblijvende bijdragen – dat is een politiek wishful thinking, en de demografie zal hierbij roet in het eten gooien.

Dat een werkgeversvriendelijk instituut geen belang heeft bij stijgende pensioenbijdragen, is begrijpelijk. Per slot van rekening worden de pensioenbijdragen voor (vaak) de helft (of meer) meegefinancierd door de werkgever. De belangen van de werknemers in loondienst zijn echter anders. Elke cent die werkgevers besparen door een stabiele pensioenbijdrage, door het verlagen van het niveau van de pensioenen of door een verdere verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, komen werknemers later bij hun eigen pensioen “tekort”.

Of met andere woorden: hogere bijdragen aan wettelijke pensioenen worden gefinancierd door werkgever en werknemer. Zij betalen er elk (bijvoorbeeld) de helft van – maar het pensioen krijgt alleen de werknemer. Een werkgever die pleit voor een stabiel pensioenpremie-tarief, vraagt in feite ​​om niets anders dan een loonsverlaging via de achterdeur.

Een stijgende premie is dan ook niet zo slecht, bekeken vanuit dit perspectief. Dit geldt zelfs des te meer als de arbeidsproductiviteit de komende decennia zal toenemen. “Arbeidsproductiviteit” is een kengetal dat aangeeft hoe hoog de gemiddelde productie per gewerkt uur bedraagt. Als de arbeidsproductiviteit stijgt wordt de taart groter die een bedrijf kan verdelen over haar werknemers, gepensioneerden en in feite alle anderen binnen het bedrijf. Dit type van de productiviteit is uiteindelijk de bron van welvaart. De arbeidsproductiviteit kan bijvoorbeeld toenemen door een efficiëntere organisatie van het werk, of bijvoorbeeld (en vooral) door middel van investeringen in opleiding, technologie en infrastructuur.

Al sinds het eind van de 19e eeuw zien we aan de stijgende arbeidsproductiviteit dat de welvaart in Centraal-Europa groeit, ondanks de demografische veranderingen. Want hoewel sinds het einde van de 19e eeuw steeds meer mensen op de arbeidsmarkt moeten betalen voor steeds meer gepensioneerden is de levensstandaard niet verslechterd. (Demografische veranderingen, noch de toename van de arbeidsproductiviteit, is dus een nieuw fenomeen. Des te opvallender is het dat belanghebbende partijen (werkgevers, hun verenigingen en instellingen) het wel altijd hebben over demografische veranderingen, maar niet over arbeidsproductiviteit.

pensioen

Nu is er in alle westerse industriële samenlevingen een tendens van een afnemende groei van de arbeidsproductiviteit. In de jaren ’70 van de vorige eeuw bedroeg de groei in Duitsland gemiddeld 3,8% per jaar. In de jaren ’80 en ’90 was het slechts iets meer dan 2%. Sinds 2000 is de groei onder de 2% gebleven, in een flink aantal jaren zelfs onder de 1%. Een reden hiervoor zouden relatief zwakke investeringen van het bedrijfsleven en de publieke sector sinds ongeveer begin deze eeuw kunnen zijn. Er zijn echter talrijke recente studies die aangeven dat de productiviteit in de komende jaren en decennia aanzienlijk hoger zal uitvallen, door onder andere “digitalisering” en “industriële hervormingen”.

pensioen

Maar zelfs als de productiviteit op het huidige lage niveau zou blijven staan, is het voldoende om, ondanks de demografische veranderingen, een welvaartsvast pensioen zonder verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd er op na te houden.

Kijk even naar het volgende rekenvoorbeeld (en nemen de cijfers van Destatis erbij, omdat die gemakkelijk te achterhalen zijn – maar voor ons land geldt hetzelfde naar rato uiteraard):

– De arbeidsproductiviteit groeit met 1,4% per jaar tot het jaar 2060 (dit komt overeen met de gemiddelde stijging vanaf 1991).

– De bevolking in de werkende leeftijd (20-65 jaar) zal krimpen in de mate zoals Destatis voorspelt, namelijk van bijna 50 miljoen tot minder dan 38 miljoen mensen in het jaar 2060.
– Omgekeerd zal het aantal 65-plussers toenemen, namelijk van ongeveer 16 miljoen tot ongeveer 23 miljoen.
– De arbeidsdeelname zal niet verder toenemen.

Over het algemeen zijn dit nogal voorzichtige veronderstellingen. Het eindresultaat is dat er in 2060 een reële inkomensstijging van bijna 70% is opgetreden: het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking is gestegen van € 32.137 (2010) naar € 42.209 (2040) en vervolgens naar € 53.973 (2060).

PENSIOEN

Je kunt het ook van de andere kant bekijken en je afvragen: wat moet de gemiddelde jaarlijkse stijging van de productiviteit zijn dat die de gevolgen van de demografische veranderingen kan compenseren en waarbij het bbp per hoofd van de bevolking hetzelfde blijft?

Het antwoord: minder dan 0,4%. Dat is een lage waarde, die meer dan realistisch lijkt.

De door de politiek en werkgevers gevoede angst voor stijgende pensioenbijdragen is dus geheel onterecht – want wat er overblijft na aftrek van pensioenpremies is van jaar tot jaar steeds groter!

Voorwaarde is wel dat de lonen dienovereenkomstig stijgen. Daarom is het des te belangrijker dat de ontwikkeling van de voor inflatie gecorrigeerde lonen niet achterbljven bij de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit.

Maar werkgevers willen óók daar meestal niets van weten.

Reacties

Reacties

Geef een reactie